|
Meeden historie.
De dorpen van het
Wold-Oldambt, waar Meeden er één van is, liggen
op zandreliëfs tegen het voormalige Bourtanger Moor aan,
een enorm veengebied dat zich uitstrekte tot Overijssel en in
Duitsland. Dit veengebied is sinds de middeleeuwen drooggelegd
en afgegraven. De turf was voor huisgebruik en voor nijverheid.
Zonder turf kon geen brood gebakken, geen bier gebrouwen worden
en geen baksteen of dakpan gemaakt worden. Andere brandstoffen
waren nauwelijks voorhanden.
Niet alleen de stad Groningen, of de Randstad heeft veel geld
aan dit veengebied verdiend; men zegt wel zonder de turf uit
dit gebied was er geen Gouden Eeuw geweest (een parallel met
het aardgas), maar ook de inwoners van het Wold-Oldambt hebben
hun kost in belangrijke mate aan de venen verdiend.
Na de vervening werden de gronden volgens strenge stadsregels
geschikt gemaakt als goede landbouwgrond. Landbouwproducten
werden net als turf via het functionele kanalenstelsel naar
afzetgebieden gebracht.
Het oude Oldambtster
dorp Meeden lag noordelijker aan de toenmalige rand van het
hoogveen. Het dorp heeft zich geleidelijk aan in zuidelijke
richting verplaatst. Waarom ? Men had regelmatig last van hoog
water van de Dollard , door de middeleeuwse randvervening (men
groef sloten in het veen) droogde het veen uit en klonk in.
Het zuidelijke veen werd bouwland en voorzak in een behoefte,
want de oude akkers raakten uitgeput. Dit bouwland strekte zich
uit tot de Veensloot ,waar men een veendijk met flankerende
sloot had gegraven. Ook toen na de reductie in de 16 e eeuw
(1594) de kloosters uitgespeeld waren en de systematische vervening
begon met werkmaatschappijen en projectontwikkelaars (compagnieën),
concentreerde Meeden zich op het zuidelijke veen. Men kon moeilijk
anders want naar het noorden toe was de opstrekmogelijk beperkt.
Men botste snel tegen de opstrekrechten van de boeren uit Eexta
en Zuidbroek. Immers de Dollarddijken omgaven tussen deze dorpen
een inham die smal toeliep tot de plek waar nu het Gemaal de
Munte is.
De claim op veengronden van Meeden naar het zuiden toe was tot
Zuidwending.
Dat laatste leidde in de 17 e eeuw tot slaande ruzie tussen
de eigenerfden (boeren) van Meeden en de vervener Feiko Clock
en zijn mannen. De boeren gingen er op af met landbouwwerktuigen
die ook als wapen konden dienen. Maar Clock omsingelde hen en
gijzelde hen. De vrouwen van Meeden hebben vervolgens hun mannen
bevrijd. Hoe? In het dorp Meeden hebben ze daar in de jaren
tachtig een muziekspel over opgevoerd. Aan de taltijke ruzies
over de eigendomsrechten, zegt men, is de naam Kibbelgaarn ontleend.
Meeden is een Oldambtster
wegdorp daterend uit de 13 e eeuw of eerder. Opvallend zijn
de monumentale boerderijen en tuinen met imposante bomen. Dat
de kerk op afstand is verwijderd van de hoofdweg (Hereweg –weg
voor het leger) is te verklaren uit de verplaatsing van het
dorp naar het zuidelijker en hoger gelegen deel van de zandrug.
De kerk heeft een voorganger gehad: een kapel, die onderhorig
was aan het kerspel Eexta (bij Scheemda). Ook Meeden telt vele
historische en monumentale boerderijen met tuinen waarin de
engelse landschapsstijl van de 19e eeuw nog te herkennen is.
Het woord Meeden verwijst naar grasland. Denk aan meadow. Vroeger
heette Meeden ook wel Eextameeden: de graslanden van Eexta.
Eexta is nu het samengegroeide tweelingdorp van Scheemda.
Het klooster van Sint Annen bezat venen ten zuiden van Meeden.
Er heeft een, nu verdwenen, oude weg diagonaal-gewijs gelopen
van de kerk in Meeden naar Zuidbroek. En er was een noordelijke
zijweg van deze Oude Weg over het Winschoterdiep langs de Meedener
Tol naar het Waar.
De hooggelegen
kerk dateert vermoedelijk van de 15e eeuw. Daarvoor was er een
eenvoudiger bouwvorm Afmeting: 23x8m. De preekstoel dateert
van 1800 (Bekenkamp). Het orgel werd in 1751 door Hinsz gebouwd
met gebruikmaking van oudere orgeldelen van Syborgh (1643).
De vrijstaande zadeldak toren dateert van 1482. De toren is
30m hoog. Muurdikte 1,4 m. De toren lijkt op een middeleeuws
steenhuis. Voor de toren staat een gedenkteken 40-45.
De boerderijen
hebben de stijl van de Oldambtster boerderij. Deze bouwtrant
komt van Oost Friesland. (D). Het is daar rond 1700 ontstaan.
De kenmerken zijn dat woonhuis en bedrijfsruimten zich onder
één dak, één nok bevinden, de verspringingen
in de muur (zg.krimpen), zodat de zijmuur van de schuren lager
is dan de woonhuis muren en daar dus meer vensters aangebracht
kunnen worden.. Verder kenmerk: de talrijke graanzolderraampjes
in de voorgevel. Onder invloed van het classicisme werden de
woonhuizen in de 19e eeuw symmetrisch. De schuren zijn monumentaal,
het dak wordt gedragen door boomdikke gebinten die stelselmatige
vakken vormen. Zoals de zuilen in een Romaanse kerk.
Aan de Hereweg
straat, midden in het dorp, een beetje naar achteren, een graansilo.
Vijf verdiepingen hoog. Rechthoekig gebouwd van rode baksteen
in de eerste helft van de twintigste eeuw. Om precies te zijn
in 1918, samen met het links staande huis van de graanhandelaar.
Het is een beeldbepalend gebouw en ook een vrij uniek monument
voor de provincie Groningen. De silo is nog in gebruik. Graanhandel
was tot de jaren zestig van de vorige eeuw belangrijk voor de
Het was strak geregeld. Van oudsher moest alle handel via de
stad (Groningen). De boeren sloten zich aan bij een commissionair.
(iemand die dan in opdracht van de boer op basis van provisie
handelt). Alleen deze commissionairs en de handelaars (die kochten
partijen bij de boeren in) hadden toegang tot de korenbeurs
aan de Vismarkt in Groningen. De graanpartijen werden daar op
staal verkocht, dat wil zeggen dat de commissionair (in kleine
witte zakjes) monsters meenamen. De korenbeurs verloor langzaam
aan betekenis, omdat boerencoöperaties ontstonden. Deze
sloten rechtstreekse contracten met grootverbruikers af, zodat
de tussenhandel verdween. Tot 1823 verhandelde men graan per
mud (91,03 liter) dan per hectoliter (dus 100 liter) .
Lees ook het boek: de Graanrepubliek van Frank Westerman
|